Staafkerken
Aangezien we toch in Noorwegen zijn, willen we graag van de gelegenheid gebruik maken om een staafkerk te bezoeken. In ons gebied zijn ze te vinden in Undredal, Borgund, Urnes, Kaupanger en Hopperstad.
Tussen 1100 en 1300 werden in Noorwegen ongeveer duizend houten staafkerken (stavkirker) gebouwd, waarvan vandaag de dag nog amper een dertigtal is overgebleven. Hoewel archeologen bewijzen hebben gevonden dat er in heel Noord-Europa staafkerken werden gebouwd, zijn deze alleen in Zuid-Noorwegen bewaard gebleven. In de 19e eeuw verwierven ze een plaats in het publieke bewustzijn dankzij de romantische schilderijen van Johannes Flintoe en J. C. Dahl. Vervolgens begonnen architecten kerken die op de nominatie stonden te worden gesloopt, te registreren en te onderzoeken. In 1844 werd door een aantal liefhebbers de Vereniging tot behoud van Noorse monumenten opgericht, die zich ontfermde over belangrijke oude gebouwen. Op dit moment zorgt de vereniging voor de instandhouding van acht staafkerken. Vier andere kerken bevinden zich in openluchtmusea.
De traditionele lafting-constructie komt erop neer dat boomstammen worden ingekerfd en vervolgens horizontaal in elkaar worden gepast, waardoor een massieve wand ontstaat. Bij de staaftechniek, daarentegen, wordt gebruik gemaakt van een skelet van verticale palen. De buitenkant wordt afgewerkt met dikke planken (staven), die eveneens verticaal worden opgetrokken op een manier die aan scheepsbouw doet denken.
Bij vroege staafconstructies werden de palen rechtstreeks ingegraven in de grond, met als gevolg dat ze vanaf de grond begonnen te rotten. Bij latere constructies maakten de kerkbouwers eerst een basis of grondbalk van horizontale balken die op een stenen fundering werden geplaatst. Alle verticale elementen (waaronder lange palen, die masten werden genoemd) werden in gleuven in de grondbalk gemonteerd – twee tot vier palen per muur. De bovenkant van elke paal – met een hoogte van 8-9 meter – werd met behulp van knieverbindingen en Andreaskruisen bevestigd aan een verhoogde balk. Grote delen van het muurframe werden op de grond gefabriceerd, waarna ze als kant-en-klare eenheden op de rechthoekige grondbalk werden geplaatst en opgetrokken, zodat een kubusvormige binnenruimte ontstond.
Er zijn diverse typen staafkerken. De eenvoudigste hebben alleen een schip en een klein koor. Het dak rust op de muren. Sommige staafkerken hebben een hoge mast in het midden, ter ondersteuning van een torenspits en ter versterking van de muren. De grootste en meest complexe staafkerken hebben een verhoogde ruimte in het midden, gedragen door vrijstaande palen en omgeven door een lage galerij. De houten ingangen zijn vaak rijk versierd met ingewikkeld houtsnijwerk. (bron: het Noorse Architectuurmuseum)
Gerelateerde artikelen:
- No related posts
Tussen 1100 en 1300 werden in Noorwegen ongeveer duizend houten staafkerken (stavkirker) gebouwd, waarvan vandaag de dag nog amper een dertigtal is overgebleven. Hoewel archeologen bewijzen hebben gevonden dat er in heel Noord-Europa staafkerken werden gebouwd, zijn deze alleen in Zuid-Noorwegen bewaard gebleven. In de 19e eeuw verwierven ze een plaats in het publieke bewustzijn dankzij de romantische schilderijen van Johannes Flintoe en J. C. Dahl. Vervolgens begonnen architecten kerken die op de nominatie stonden te worden gesloopt, te registreren en te onderzoeken. In 1844 werd door een aantal liefhebbers de Vereniging tot behoud van Noorse monumenten opgericht, die zich ontfermde over belangrijke oude gebouwen. Op dit moment zorgt de vereniging voor de instandhouding van acht staafkerken. Vier andere kerken bevinden zich in openluchtmusea.
Bij vroege staafconstructies werden de palen rechtstreeks ingegraven in de grond, met als gevolg dat ze vanaf de grond begonnen te rotten. Bij latere constructies maakten de kerkbouwers eerst een basis of grondbalk van horizontale balken die op een stenen fundering werden geplaatst. Alle verticale elementen (waaronder lange palen, die masten werden genoemd) werden in gleuven in de grondbalk gemonteerd – twee tot vier palen per muur. De bovenkant van elke paal – met een hoogte van 8-9 meter – werd met behulp van knieverbindingen en Andreaskruisen bevestigd aan een verhoogde balk. Grote delen van het muurframe werden op de grond gefabriceerd, waarna ze als kant-en-klare eenheden op de rechthoekige grondbalk werden geplaatst en opgetrokken, zodat een kubusvormige binnenruimte ontstond.